
DE CHIP (HOOFDSTUK 7)
Toen ze even later de trolley hadden opgepakt, de lift naar beneden hadden genomen, de beveiliger in de loge hadden gegroet en de deur van hun kraakpand achter zich hadden gesloten, liepen ze richting Sé. Een paar minuten later stonden ze voor de deur van Mano’s winkel.
De twee mannen waren er nog niet en Mano vroeg hen even te wachten. Ondertussen was hij zelf met een andere klant bezig.
Klokslag elf uur ging de deur open en verschenen twee heren. Ze waren in doorsneekleding gestoken. De een was een jaar of veertig, met een smal gezicht en zwart haar dat al wat was teruggeweken. Hij leek zo uit een kantoor te zijn weggelopen: een van de duizenden ambtenaren die hier in de buurt bij een overheidsdienst werkzaam waren. Een ietwat versleten, merkloze laptoptas vervolmaakte dit beeld.
De andere man was, schatte Caio, ook begin veertig, maar een totaal ander type: breedgeschouderd, met een kalende kruin en een stoppelbaard van een paar dagen. Onder zijn arm droeg hij een ringband.
Ze wendden zich tot Mano, die zich echter verontschuldigde. “Ik ben even met een klant bezig,” zei hij. “Ik zal u straks helpen. Kijkt u ondertussen gerust rond.”
De mannen, kennelijk niet gewend te worden tegengesproken, trokken een wat geërgerd gezicht. Ze hadden echter weinig andere keuze en moesten zich in hun lot schikken. Mano had dit zo gepland. Hij had ze speciaal op dit tijdstip laten terugkeren, omdat hij wist dat er dan meestal wel meerdere klanten zouden zijn. En hij wilde ze laten wachten. Hij was de baas. Dat moest meteen goed tot hen doordringen.
Toen de klant de winkel had verlaten, zei hij, op Caio wijzend: “Dit is de eigenaar van de ring.”
“Oh,” zeiden de mannen. “Dan weet u waarvoor wij gekomen zijn?” vroegen ze Caio.
“Hallo heren, zullen we ons niet eerst even fatsoenlijk voorstellen? We zijn hier niet in de supermarkt, maar in een van de oudste juwelierswinkels van de stad.”
De mannen, alweer op hun nummer gezet, keken verbouwereerd naar Caio en Isa en staken gegeneerd hun hand uit. Ze noemden hun namen. “Nino Pires,” zei de slanke man met bril. De gezette man met de stoppelbaard stelde zich voor als “Sérgio Carvalho”.
“Wij zijn Caio en Isa, een artiestenduo,” antwoordde Caio.

DE KENNISMAKING MET CAIO EN ISA. HET BEGIN VAN HUN CARRIÈRE (HOOFDSTUK 1)
En nu stonden Caio en Isa aan het eind van het Praça da Sé, vlak bij het stoplicht bij de Rua Direita, en zette Isa een van hun favorieten in. Ze begeleidde zichzelf op haar basgitaar, terwijl Caio de akkoorden op zijn versterkte akoestische gitaar aansloeg. De klanken van de begeleidingstrack vulden de straat.
‘Er moet ergens iemand zijn
die weet waar jij nu bent
of je alleen bent, of dat je leeft met iemand anders
om niet aan ons liefdesverhaal te hoeven denken.
Zou je eraan denken om terug te komen?’
Isa’s heldere sopraan overstemde het geluid van de auto’s die bij het stoplicht stonden te wachten. Toen ze bij het refrein was aangekomen, zette haar vriend Caio met een tweede stem in. De omstanders, die in een wijde cirkel om hen heen stonden, genoten van de zoet melancholische woorden:
‘Bel me, engel van de ochtend, engel
jij bent het licht op mijn pad, baby
bel me en zeg dat je nog van me houdt, engel
zeg dat je jezelf voor mij hebt bewaard.’
Dit was niet zomaar een anoniem duo straatmuzikanten, begrepen de mensen op het Praça da Sé. Hoewel er onder het publiek geen vakmensen aanwezig waren, was het duidelijk dat hier kwaliteit werd geleverd. Ze hadden de Braziliaanse vertaling van Chip Taylors rauwe Angel of the Morning op hun repertoire gezet omdat het bijna hun eigen levensverhaal was. Toen het nummer was afgelopen, applaudisseerde het publiek enthousiast en liep Isa naar het tafeltje dat ze bij de geluidsinstallatie hadden neergezet. Daar had ze, naast haar zelfgemaakte sieraden, een stapeltje in eigen beheer geproduceerde vinylplaten van hun repertoire uitgestald. Ook stond er een kartonnen standaard met een QR-code die naar hun Spotify-account verwees. Caio wees op het metalen kistje en nodigde het publiek uit er wat geld in te doen.

HET INTREDEN VAN DE BRUID (HOOFDSTUK 20)
De ochtendzon viel als vloeibaar goud door de glas-in-loodramen van de Catedral da Sé, waardoor het marmeren middenschip baadde in zacht, haast heilig licht. Isa zat naast Caio en Rúben op de gereserveerde bank vooraan, haar handen licht ineengevouwen, alsof zij ze er iedere seconde aan moest herinneren niet te trillen. Ze was hier eerder geweest, één keer, met haar ouders; maar dat was heel anders. Ze was hier nooit geweest als onderdeel van een gebeurtenis die zo groot voelde, zo geladen, bijna als een spel tussen hemel en aarde.
De wierook dreef in ijle slierten door de lucht. De koorjongens zongen Panis Angelicus met stemmen die zo zuiver klonken dat Isa even dacht dat ze zweefden. Caio stond naast haar, keurig in pak, zijn kaaklijn licht gespannen. Rúben zat op de hoek van de bank, zijn handen gevouwen alsof hij meebad. Het verraste haar, maar niets aan deze dag voelde nog als toeval.
Toen kwam de stilte die altijd de entree aankondigt.
Lang, ademloos, verwachtingsvol.
De deuren van de kathedraal gingen open met een zachte galm, alsof er een groot orgelregister werd opengetrokken. Eerst verscheen de aartsbisschop van São Paulo, gehuld in een ivoorkleurig gewaad dat glansde als gepolijst parelmoer. Hij droeg het processiekruis met een waardigheid die alleen mannen met een leven lang liturgie bezaten. Hij liep langzaam, bijna zwevend, het middenpad in.
En toen…
Toen zette Camila Navarro haar eerste stap.
Aan de arm van haar vader, die in zijn donkergrijze maatpak straalde van trots, verscheen ze als een verschijning uit een andere wereld. Haar jurk was geen extravagante showstopper zoals Isa had verwacht; juist eenvoudiger, klassiek, alsof zij zich had gehuld in zijde die niet schreeuwt, maar fluistert. Een sleep van ivoorkleurige zijde en zacht glinsterend borduursel bewoog achter haar aan als een wolk die zich door het gangpad liet voeren.

Een dialoog tussen Isa en de dominee van de nachtkerk in hun kamertje in het kraakpand bij het praça da sé (hoofdstuk 8)
Maar hoe bent u dan leider van de nachtkerk geworden?’ vroeg Isa.
‘Dat is een heel verhaal,’ zei de dominee. ‘Ik was op een dag bij metrostation Anhangabaú, vlak bij het Viaduto do Chá. Daar ontmoette ik een meisje van negen. Ze zocht bescherming bij me en wilde niet eten, maar bleef bij me zitten. Ik was voor haar iemand uit de vijandige buitenwereld, maar iemand die ze om de een of andere reden wél wilde vertrouwen. Later die middag zag ik haar in een perua* stappen, vermoedelijk om zich te prostitueren. Ik riep haar naam, maar ze hoorde me niet meer. Het busje reed weg.’
‘Verschrikkelijk!’ zei Isa. ‘En toen?’
‘Later die dag werd ik uitgenodigd voor een kerkdienst in een chique kerk in Morumbi; je weet wel, een van de chiqueste wijken van São Paulo. Daar werd gepreekt, gezongen en gebeden alsof er niets aan de hand was. Alsof de honderden kinderen die door de stad zwierven niet bestonden. Alsof het meisje dat in die perua[1] was gestapt even naar een pretpark ging. Ik werd zó kwaad dat ik voor een keuze stond: de kerk voorgoed verlaten, of proberen haar van binnenuit te hervormen. Ik heb voor het laatste gekozen. Toen ik later gevraagd werd om een stel jongelui die ook graag dominee wilden worden te begeleiden, ben ik de nachtkerk begonnen. Ze moeten leren wat het betekent om écht dominee te zijn. Ik heb hen de zwijnenstal van een drugsverslaafde vader van vijf kleine kinderen in de Rua dos Gusmões[2] laten uitmesten. Dat is wat een dominee moet doen. Dat is wat Jezus deed. Hij ging eten bij zondaren en hoeren; Hij bekommerde zich om de uitgestotenen. Hij zou zeker bij Rosa langsgegaan zijn. Maar in plaats daarvan spreken moderne dominees liever op chique conferenties, waar ze worden bejubeld en applaus oogsten. Ze hebben hun eigen podcasts en concurreren met elkaar om het aantal abonnees. Een walgelijk zootje. Daarom ben ik de nachtkerk begonnen.’
[1] = Volkswagen-bestelbusje
[2] = het centrum van Cracolândia, de wijk met veel crack-verslaafden

Een dialoog tussen Isa en de dominee van de nachtkerk in hun appartement in Barra Funda (hoofdstuk 17)
De dominee had aandachtig geluisterd en liet haar woorden even in de lucht hangen. Hij dacht even na. Toen zei hij: ‘Ik heb toen ook verteld over mijn bezoek aan de kerk in Morumbi. Herinner je je dat nog?’
‘Jazeker. U was toen heel teleurgesteld omdat de kerk gewoon deed alsof die kinderen niet bestonden.’
Dat klopt. Dat heb je goed onthouden. Het is alleen nog vele malen erger. De kerk is totaal corrupt. Ik weet dat ik nu generaliseer en dat er heus nog wel een paar goede kerken zijn. Maar zo voel ik het nu eenmaal. Dominees zijn baantjesjagers en vinden het aantal paardenkrachten van hun auto belangrijker dan het welzijn van de schapen voor wie ze verantwoordelijk zijn. Sommigen verrijken zich ten koste van hun gemeente, bedonderen de boel met schijngenezingen en misbruiken de kinderen in hun kerk. En niet alleen voorgangers in protestantse kerken, maar ook rooms-katholieke priesters doen dat. Er is volgens mij maar één echte kerk, namelijk een kerk die zich om de armen en vertrapten bekommert. Die is echter ver te zoeken. Weet je, ik heb een bevriende collega in Nova Friburgo, in de deelstaat Rio de Janeiro. Die schreef me eens: “Brazilië is tot op het bot corrupt. Niet alleen in de politiek of het zakenleven, maar ook in de kerk. Vanaf de timmerman op de hoek tot aan de president. Het is een nationale ziekte die je onmogelijk kunt bestrijden.” En ik denk dat hij gelijk heeft. Die pajé van jullie was daar dus geen uitzondering op. Die was ook alleen maar uit op de vervulling van zijn eigen behoeften.’
Caio en Isa hadden verbijsterd deze emotionele uitbarsting aangehoord.
Na een paar seconden nam Isa het woord: ‘Maar waarom bent u dan nog steeds dominee, als het zo’n zootje is in de kerk?’
De dominee antwoordde: ‘Dat vraag ik me soms ook wel af, maar ik denk omdat ik niet anders kan.’
‘Hoezo? U kunt toch gewoon iets anders gaan doen?’
‘Nee, want ik geloof op de een of andere reden dat God dit van mij vraagt. Misschien ben ik wel de allerlaatste christen in deze wereld, maar ik wil trouw blijven aan waar ik in geloof.