
Deze indrukwekkende roman volgt de verhaallijn van Job Blijleven, een gepensioneerd leraar Frans die, kort na het verlies van zijn vrouw en aan de vooravond van zijn pensioen, steeds sterker vervreemdt van de wereld om hem heen. In Nederland raakt hij verontwaardigd door wat hij ziet als morele verloedering, identiteitsverwarring en geestelijke leegte, signalen die voor hem samenkomen in mediaberichten, onderwijspraktijken en kerkelijke zwakte. Zijn oude liefde voor kunstgeschiedenis, en in het bijzonder voor Giotto’s verbeelding van de zeven hoofdzonden, biedt hem houvast. In de overtuiging dat eerdere generaties scherper wisten wat goed en kwaad waren, besluit hij naar Toscane te reizen om daar de fresco’s en de cultuurhistorische wortels van dat morele denken te herontdekken.
In Lucca raakt Job betrokken bij religieuze gebeurtenissen rond de Volto Santo-processie. Wat aanvankelijk toeval lijkt, krijgt al snel het karakter van een roeping. Hij spreekt over schuld, bekering en de “kermis van het Armageddon” waarin de mensheid zich volgens hem heeft gestort, en wordt onverwacht gehoord. Zijn woorden vinden weerklank bij gelovigen, geestelijken en uiteindelijk zelfs binnen het Vaticaan. Tegelijk groeit Jobs eigen twijfel: hij ziet zichzelf niet als profeet, maar kan zich evenmin onttrekken aan het gevoel dat hij wordt voortgeduwd door een kracht buiten hemzelf.

Castiglione-di-Garfagnana met het basreliëf van Avaritia en Simonie (de hebzucht in de wereld en in de kerk)
Na zijn dood – die even raadselachtig als betekenisvol is – verschuift het perspectief definitief. Job blijkt niet verdwenen, maar opgenomen in een tussenwereld die hij leert kennen als de tweede hemel. Daar ontmoet hij Whizzy, een jonge, scherpe en spiritueel alerte gids die hem confronteert met de werkelijkheid achter menselijke keuzes. Samen worden zij getuige van rechtszittingen waarin zielen verantwoording afleggen voor hun daden. De zeven hoofdzonden verschijnen hier niet als abstracte begrippen, maar als concrete, demonische machten die hun invloed op de wereld hebben uitgeoefend via hebzucht, wellust, gulzigheid en onverschilligheid. In deze groteske, vaak schokkende scènes wordt zichtbaar hoe individuele keuzes doorwerken in collectief leed, milieuschade en menselijk onrecht.
Tijdens hun tocht langs de doodsrivier en door de rechtbanken van het hiernamaals groeit Jobs inzicht. Hij beseft dat oordeel en genade onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat zijn eigen woede over de wereld mede deel uitmaakt van het probleem dat hij wilde bestrijden. De confrontaties zijn niet alleen gericht op anderen, maar ook op hemzelf. Whizzy fungeert daarbij als tegenspreker en bondgenoot, iemand die hem dwingt verder te kijken dan verontwaardiging alleen.

De volto Santo (het kruisbeeld met het ware gezicht van Jezus door Nicodemus vervaardigd) In de San Martino te Lucca
Aan het einde van de verhaallijn keert het perspectief terug naar de aarde, waar Jobs verschijningen en woorden door journalisten, gelovigen en kerkelijke autoriteiten worden geduid. Sommigen zien in hem een nieuwe Jona, anderen een mythe of een collectieve projectie. Zijn lichaam blijft spoorloos, slechts zijn zorgvuldig opgevouwen kleren worden gevonden. Daarmee laat het verhaal bewust open of Job werkelijk een door God gezonden profeet was, of een mens die in zijn zoektocht naar waarheid een grens heeft overschreden. De roman eindigt niet met een antwoord, maar met een morele vraag die bij de lezer wordt neergelegd: wat doen wij met de waarschuwing die in Jobs reis besloten ligt, en durven wij nog verantwoordelijkheid te nemen voor goed en kwaad in een wereld die dat onderscheid steeds verder laat vervagen?

De marmergroeven van Carrare waar Acedia, de demon van de traagheid, op noodlottige wijze om het leven kwam.



